• be·vrie·zen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bevriezen
/bə'vrizə(n)/
bevroor
/bə'vro̝ːr/
bevroren
/bə'vro̝ːrə(n)/
klasse 2

onregelmatig

volledig

bevriezen

  1. ergatief door afkoeling in vaste toestand komen
    • Water bevriest bij nul graden Celsius. 
     De een-na-laatste dag werd ik getroffen door een enorme sneeuwstorm die de hele dag duurde. Terwijl ik liep viel er ruim 15 centimeter sneeuw en door de harde wind bevroor mijn baard, die inmiddels ook bijna 15 cm lang was geworden.[1]
     En als het hout dan opnieuw bevroor barstten de samenvoegingen en werd de paal waardeloos.[2]
  2. ergatief door afkoeling ophouden met werken of beschadigd raken
    • Tijdens deze strenge winter is een deel van de oogst bevroren. 
  3. ergatief ineens ophouden met bewegen; verstijven; dichtklappen
    • Ze bevroor als een konijn in het licht van koplampen. 
    • Zijn glimlach bevroor. 
     De realiteit is een koude vlaag die alles bevriest.[3]
  4. overgankelijk iets door afkoeling in vaste toestand doen komen
    • We bevriezen onze groenten twee uur na de oogst. 
  5. overgankelijk iets blokkeren of niet verder laten toenemen
    • Thailand wil de export naar de EU bevriezen. 
99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]
  1. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  2. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus  , ISBN 9789044628142
  3. All-inclusive”   (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht  , ISBN 90-229-9182-2
  4.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be