• aan·ma·ning
enkelvoud meervoud
naamwoord aanmaning aanmaningen
verkleinwoord aanmaninkje aanmaninkjes

de aanmaningv

  1. het aanmanen
  2. (juridisch) waarschuwing dat men nog niet betaald heeft, herinnering
    • De aanmaning om de belastingen te betalen kwam nadat de deadline verstreken was. 
97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[2]