zonlicht

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zon·licht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zonlicht -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zonlicht o

  1. (astronomie) de zichtbare elektromagnetische straling van de ster waarrond onze aarde draait
    • De vlaggen van de VOC-schepen hadden de neiging in het felle zonlicht van de tropen te verbleken. 
Schrijfwijzen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be