zinsleer

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zins·leer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zinsleer
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zinsleer v/m [1]

  1. (taalkunde) de wetenschap die zich bezighoudt met de opbouw van zinnen
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen