zekerheid

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ze·ker·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zekerheid zekerheden
verkleinwoord zekerheidje zekerheidjes

Zelfstandig naamwoord

zekerheid v

  1. het uitgesloten zijn van andere mogelijkheden
    • Had je maar zekerheid! 
     Myra is een stadje in Lycië, aan de zuidkust van Turkije. Daar hebben twee bisschoppen gewoond die Nicolaas heetten. De eerste leefde in het begin van de vierde eeuw en de geleerden zijn het nog steeds niet met elkaar eens of over hem iets met zekerheid kan worden gezegd.[1]
     Gelukkig dekte mijn zorgverzekeraar mijn avontuur, maar voor de zekerheid had ik een aanvullende search and rescue-polis afgesloten mocht ik met de helikopter geëvacueerd moeten worden.[2]
  2. (juridisch) onderpand
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Marijke van Raephorst   “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat  , p. 10
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be