zegsvrouwe

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zegs·vrou·we
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zegsvrouwe zegsvrouwen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zegsvrouwe v

  1. (beroep) een vrouwspersoon die in naam van een organisatie het woord voert
    • De zegsvrouwe heeft daarover tijdens de persconferentie geen commentaar willen geven. 
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
64 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be