waterweg

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wa·ter·weg
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord waterweg waterwegen
verkleinwoord waterwegje waterwegjes

Zelfstandig naamwoord

waterweg m

  1. een water dat kan worden bevaren. Dit kan een rivier of kanaal zijn of een aangelegde geul in een verder ondiep water. Zeeën en diepe meren zijn ook vaarwegen, al worden ze in het algemeen niet zo genoemd.
     Als een slordige s in spiegelbeeld was het kanaal over de stadsplattegrond gekalkt door een dronken ontwerper die sadistisch lachte toen hij zag hoe zijn ingreep de stad zo goed als onbegaanbaar had gemaakt voor de flanerende edelen met hun satijnen schoentjes en die pas de volgende dag, weer nuchter, besefte dat hij geheel tegen zijn bedoeling in een magnifieke waterweg had geschapen die alle delen van de stad op een mooie, trage manier met elkaar verbond.[1]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard   “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers  , ISBN 978-90-295-2622-7, p. 22
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be