voortijdig

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·tij·dig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen voortijdig voortijdiger voortijdigst
verbogen voortijdige voortijdigere voortijdigste
partitief voortijdigs voortijdigers -

Bijvoeglijk naamwoord

voortijdig

  1. te vroeg dus voordat het de goede tijd is
    • Dat is een voortijdige conclusie we zullen eerst de resultaten van het onderzoek moeten afwachten. 
    • Gelukkig konden de voortijdige weeën worden geremd want anders was het kind te voortijdig geboren. 
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be