voorschip


Nederlands

 
voorschip
Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·schip
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord voorschip voorschepen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

voorschip o [1]

  1. voorste deel van een schip
    • Nadat het schip in tweeën brak, zonk het voorschip met de daarop verzamelde schipbreukelingen. Door het grote aantal slachtoffers, 129 passagiers en bemanningsleden, ging deze ramp de geschiedenisboeken in als de grootste scheepsramp bij Hoek van Holland. Nieuw was de massa ramptoeristen die op de reddingspogingen en, erna, op het wrak af kwam. [2] 
    • Inwendig overtuigt de Azuree 41 met in het voorschip een luxe eigenaarshut met veel kastruimte en een diagonaal geplaatste douche. De beide hutten in het achterschip zijn identiek, eentje heeft een natte cel. De salon voorziet in een in lengterichting geplaatste kombuis met alle voorzieningen die nodig zijn voor langer verblijf. [3] 
    • Vlak voor ze werden aangevaren hoorde de dochter vanuit het voorschip van de Bolero haar moeder aan haar vader vragen: „Markus, heb je dat schip niet gezien?” Ze stond op, zag het grote zwarte schip naderen, groen water golfde over de reling. De boot kantelde. Een klap volgde. [4] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Reformatorisch Dagblad Dick den Braber 22-08-2014 Peperdure Nieuwe Waterweg werd bijna een fiasco
  3. De Telegraaf ALFRED BOER 30 aug. 2017 Fijne mijlenmaker
  4. De Telegraaf SOPHIE KLUIVERS 27 okt. 2017 Schipper voor rechter om tragisch scheepsongeval
  5.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be