verspreiden

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·sprei·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verspreiden
verspreidde
verspreid
zwak -d volledig

Werkwoord

verspreiden

  1. overgankelijk in omloop brengen, over een groter oppervlak uitbreiden
    • Deze ziekte wordt door ratten en hun vlooien verspreid. 
     ‘De maatregelen zoals nu door de overheid genomen, zijn terecht, volgens mij. Ik zelf loop niet veel risico, gezien mijn leeftijd, maar ik kan het wel verspreiden. Mijn ouders zijn ook nog relatief jong en gezond, ik denk niet dat zij extra risico lopen.[1]
  2. wederkerend zich ~: een proces van uitbreiding ondergaan
    • De ziekte verspreidde zich. 
     Hij zegt: 'Aan de randen van het Amazonewoud zijn de meeste branden. Ze zijn aangestoken door mensen. Het is nu de droogste tijd van jaar in het Amazonegebied. Door de droogte verspreiden de branden zich heel snel. En het brandseizoen is pas twee weken bezig.'[2]
     In delen van de Amerikaanse staat Florida zijn quarantainemaatregelen genomen om te voorkomen dat de Afrikaanse reuzenslak zich verder over de staat verspreidt.[3]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Charlotte Huisman “Wie neemt er nog de trein op een stil Utrecht Centraal?” (13 maart 2020), de Volkskrant
  2.   Weblink bron nieuwsbegrip.nl “Bosbranden in het Amazonegebied” (26-8-2019), CED-groep
  3.   Weblink bron “Delen Florida in quarantaine door megaslak met rattenlongworm” (02 jul 2022), NU.nl
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be