verspreider

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·sprei·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord verspreider verspreiders
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

verspreider m

  1. iets of iemand die iets verspreidt
    • De verspreider verspreider van het virus woonde in Wuhan. 
Hyponiemen