• va·nil·le
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘specerij’ voor het eerst aangetroffen in 1734 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord vanille vanilles
verkleinwoord - -

de vanillev / m

  1. (voeding) (specerij) een smaak- en geurstof geëxtraheerd van de vanilleplant
    • Dit roomijs smaakt naar vanille. 
     Het water liep me spontaan in de mond als ik dacht aan een vanille milkshake en cola met ijs.[3]
  2. (plantkunde) Vanilla planifolia   tropische klimplant
100 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]