talenknobbel

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ta·len·knob·bel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord talenknobbel talenknobbels
verkleinwoord talenknobbeltje talenknobbeltjes

Zelfstandig naamwoord

talenknobbel m

  1. een speciaal talent voor het aanleren van vreemde talen
    • Hij heeft overduidelijk een talenknobbel, want hij spreekt vloeiend Nederlands, Engels, Frans, Duits en Spaans. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be