• sta·dig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen stadig stadiger stadigst
verbogen stadige stadigere stadigste
partitief stadigs stadigers -

stadig [2]

  1. voortdurend en in hetzelfde tempo, aanhoudend
41 % van de Nederlanders;
48 % van de Vlamingen.[3]


stadig

  1. langzaam


  • Afkomstig van het Oudnoorse stǫðugr.
  • Deens woord met het achtervoegsel -ig.
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
g enkelvoud stadig mere stadig mest stadig
o enkelvoud stadigt
meervoud stadige
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
stadige mere stadig mest stadig

stadig

  1. constant
  2. gevestigd
  3. doorlopend