Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • soa
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord soa soa's
verkleinwoord soa'tje soa'tjes

Zelfstandig naamwoord

soa v

  1. (seksualiteit) (medisch) infectieziekte die vooral wordt overgedragen door seksueel contact
    • Het meisje kreeg een soa toen ze aan onveilige seks deed. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be