rustbank

Nederlands

 
rustbank
Uitspraak
Woordafbreking
  • rust·bank
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rustbank rustbanken
verkleinwoord rustbankje rustbankjes

Zelfstandig naamwoord

rustbank v/m

  1. een meubelstuk waarop men kan zitten en liggen om uit te rusten
    • De samenleving in haar totaliteit ligt dan ademhappend en hijgend op de rustbank. Niet voor één dag, maar voor maanden. Want herstel na zo’n uitputtingsslag duurt lang.[2] 
    • De rechtbank achtte daarentegen niet bewezen dat de lichte schade aan de rustbank was veroorzaakt door de 22-jarige Duitser. Na zijn arrestatie verbleef hij twee dagen in een Amsterdamse politiecel.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen