• re·pli·ce·ren
  • uit het Frans [1]

repliceren

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
repliceren
repliceerde
gerepliceerd
zwak -d volledig
  1. opnieuw hetzelfde maken
    • En er is meer hulp onderweg. Ook fabrikant The Body Shop heeft beloofd om te onderzoeken of de originele Rose Musk weer te repliceren is. En parfumeur Jorg van Iscent gaat een parfum voor Stefanie op maat maken. "Dat is toch ook heel bijzonder; een parfum speciaal voor mij, waar er maar één van is!", aldus een dolblije Stefanie op haar facebookpagina. [2] 
  2. reageren of antwoorden op wat eerder gezegd of geschreven is, meestal om je te verdedigen of het gemelde tegen te spreken
    • "Van een duwtje loop je geen snee van een paar centimeter aan je oog op", repliceert teammanager Patrick Lefevere van QuickStep. "Natuurlijk moet dit wangedrag van Grivko bestraft worden. Wij hebben nog moeten aandringen bij de juryvoorzitter dat hij iets moest doen. Eerst weerde de jury zich dat hij niets gezien had, maar zeker dertig renners waren getuige van het voorval." [3] 
    • Derksen repliceerde deze opmerking maandag met: "Dan ken ik nog wel twintig programma’s die van de buis kunnen." [4] 
93 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[5]