placeren

Nederlands

Zuid-Nederlands Brabants/Oost-Vlaams dialect.

Uitspraak
Woordafbreking
  • pla·ce·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
placeren
placeerde
geplaceerd
zwak -d volledig

Werkwoord

placeren [2]

  1. (Iets of iemand) plaatsen
  2. Bieten op een zetten, bieten uitdunnen[3]
  3. Een woordeke placeren: een toespraak houden
Hyponiemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen