ophangen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·han·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ophangen
hing op
opgehangen
klasse 7 volledig

Werkwoord

ophangen

  1. overgankelijk iets in een hangende positie bevestigen
    • Ik heb je schilderijtje opgehangen. 
     Algauw liepen ze achter elkaar door de schuifdeuren terug naar de eetzaal, waar Sverre in het geheim het ophangen van de schilderijen had voorbereid.[1]
  2. inergatief een telefoongesprek beëindigen
    • Hij werd kwaad en hing op. 
  3. overgankelijk aan de galg opknopen
    • Hij werd vroeg in de ochtend opgehangen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Tussen rood en zwart” (2014), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044625691
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be