opgebouwd

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·ge·bouwd
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van: opbouwen…
verbogen vorm: opgebouwde

opgebouwd

  1. voltooid deelwoord van opbouwen
stellend
onverbogen opgebouwd
verbogen opgebouwde
partitief opgebouwds

Bijvoeglijk naamwoord

opgebouwd

  1. gemaakt
    • Hij heeft het huis met eigen handen opgebouwd. 
    • Hij heeft goede relaties met zijn klangen opgebouwd. 
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be