oostzijde

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oost·zij·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oostzijde oostzijden
oostzijdes
verkleinwoord oostzijdetje oostzijdetjes

Zelfstandig naamwoord

oostzijde v / m

  1. de zijde die in het oosten ligt.
    • Aan de oostzijde van het bos bevindt zich een parkeerplaats. 
     Mocht er weinig tijd zijn om je huis te verstevigen, dan is het raadzaam om aan de oostzijde te beginnen, omdat de wind vooral uit die richting zal waaien.[1]
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron “Paniek op Curaçao door mogelijk eerdere aankomst tropische storm Bonnie” (29 juni 2022), NU.nl
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be