ontsieren

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·sie·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontsieren
ontsierde
ontsierd
zwak -d volledig

Werkwoord

ontsieren

  1. overgankelijk van de schoonheid beroven
    • Het gewrocht ontsierde de omgeving. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be