ontluisteren

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·luis·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontluisteren
ontluisterde
ontluisterd
zwak -d volledig

Werkwoord

ontluisteren

  1. overgankelijk van luister of aanzien beroven
    • Het incident ontluisterde gans de feestviering. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be