• nu·me·ra·re
stamtijd
infinitief 1e pers. enk.
ind. praes. act.
1e pers. enk.
ind. perf. act.
supinum
numerāre numero numerāvi numerātus
eerste vervoeging volledig

nŭmĕrāre

  1. tellen, berekenen
  2. bezitten; postklassiek
  3. neertellen, betalen
  4. opsommen; metaforisch
  5. beschouwen als