• mom·pe·len
  • In de betekenis van ‘binnensmonds spreken’ voor het eerst aangetroffen in 1477 [1]
  • [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
mompelen
mompelde
gemompeld
zwak -d volledig

mompelen [3] [4]

  1. inergatief geluiden maken die moeilijk te verstaan zijn
    • Hij mompelde wel wat, maar tot een echt protest kwam het niet. 
99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]