• fluis·te·ren
  • In de betekenis van ‘zacht spreken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1640 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
fluisteren
fluisterde
gefluisterd
zwak -d volledig

fluisteren

  1. inergatief spreken met gedempte stem
    • Zij fluisterden om de kinderen niet wakker te maken. 
     Als zij van eeuwigheid fluisterde, wist ze waarover ze het had. Ze had genoeg jurken voor alle feesten die zouden komen.[2]
     ‘Dit is het,’ fluisterde ik opgewonden in het duister. Vandaag zou ik de woestijn intrekken, een dorre vlakte die mij totaal vreemd was. De adrenaline gierde door mijn lijf omdat, na meer dan een jaar voorbereiding, mijn trektocht van Mexico naar Canada eindelijk begon.[3]
  2. overgankelijk iets met gedempte stem zeggen
    • Het antwoord werd in zijn oor gefluisterd. 
100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]