marineren

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·ri·ne·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘in azijn of wijn kruiden’ voor het eerst aangetroffen in 1824 [1]
  • afgeleid van het Franse mariner (met het achtervoegsel -eren) [2] [3]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
marineren
marineerde
gemarineerd
zwak -d volledig

Werkwoord

marineren [4]

  1. overgankelijk (kookkunst) in een marinade van azijn of wijn en kruiden leggen van sommige vlees en vissoorten alvorens verder te bewerken
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen