letterrijm

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • let·ter·rijm
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord letterrijm letterrijmen
verkleinwoord letterrijmpje letterrijmpjes

Zelfstandig naamwoord

letterrijm o

  1. (dichtkunst) Germaanse versvorm waarbij elke regel drie beklemtoonde lettergrepen met dezelfde beginletters of met dezelfde klinker in de stam heeft
      Het letterrijm bestond daarin, dat in elken versregel drie woorden met den vollen klemtoon voorkwamen, die met denzelfden medeklinker of dezelfde medeklinkers begonnen, of in den stam denzelfden klinker hadden. Gewoonlijk was een versregel in twee deelen gesplitst en kwamen in het eerste deel twee van die woorden voor, terwijl in het tweede deel het derde volgde. Schreef men nu nog gedichten in oud-Germaanschen rijmtrant, dan zou er een zin als deze in kunnen voorkomen: ‘Goed is God, de gever van alle dingen.’[2]
  2. gebruik van woorden met dezelfde beginletter voor een stilistisch effect
     Toen de versregels: "Heer, ick ben niet waerdigh" enz. op het doek prijkten, wees hij op de verhoogde schoonheid, veroorzaakt door Vondels letterrijm.[3]
  3. vers waarbij de beginletters van de opeenvolgende regels weer een uitspraak vormen
     Ter afwisseling droegen de dames Van de Hamer-van de Weele, Hoogenboom-Moelker en Van Schelven-Wisse een letterrijm op 'De Nederlandse Bond van Plattelandsvrouwen' (…) voor.[4]
Synoniemen
Hyperoniemen

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2.   Weblink bron J.C. Kummer Eenige Verklaringen bij de Inleiding tot de Nederlandsche Historiën van Hooft. in: Noord en Zuid., jrg. 11 nr. 5 (mei 1888), Blom & Olivierse, Culemborg / W. Rogghé (J. Vuylsteke), Gent, p. 243 n. 39
  3.   Weblink bron H. Linnebank Van Nederlandsche Letteren. in: Het Centrum, jrg. 39 nr. 11736 (17 februari 1923), Mij. tot Exploitatie v/h Dagblad Het Centrum, Utrecht, p. 7 kol. 4
  4.   Weblink bron Brouwershaven : Jaarvergadering plattelandsvrouwen (29 januari 1969) in: Provinciale Zeeuwse Courant  , jrg. 212 nr. 24, p. 19 (Schouwen 5) kol. 4