Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ijs·dam
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ijsdam ijsdammen
verkleinwoord ijsdammetje ijsdammetjes

Zelfstandig naamwoord

ijsdam m [1]

  1. een natuurlijke dam in een rivier die ontstaat door kruiend drijfijs
    • Gauw nam de Dijkgraaf schikkingen. Een bode motorde naar Vreeswijk, alwaar de Genie gewaarschuwd wier. Met enkele mannen traden ze op den ijsdam. De geälarmeerde ingenieur van Waterstaat die al eer was overgekomen, liet opmetingen doen en toen de explosiesectie van de Genie op fietsen ter plaatse was, konden al dâlijk drie mijnen ingehakt worden. Zes uur in den morgen sprongen die dynamietmijnen. En nog geen uur daarna was er schot in den ijsdam, die daar zoo hoog getast weer ingevroren was, na den vorigen korten dooi. [2] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

78 % van de Nederlanders;
75 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. (1933)–Herman de Man Het wassende water
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be