grijpbaar

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • grijp·baar
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen grijpbaar grijpbaarder grijpbaarst
verbogen grijpbare grijpbaardere grijpbaarste
partitief grijpbaars grijpbaarders -

Bijvoeglijk naamwoord

grijpbaar

  1. wat fysiek of geestelijk te pakken of te begrijpen is
    • - Uit het lange gras komen muizen die op het korte gras grijpbaar zijn.[1] 
    • - Hitler werd een soort spook (vager, minder grijpbaar) en marionet: door de studentenbeweging werd hij voor linkse Duitsers wat hij in de DDR altijd al was, marionet van het grootkapitaal. Voor weer anderen was hij juist een pion van Moskou geweest. [2] 
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Koos Dijksterhuis NRC 3 augustus 2007
  2. Juurd Eijsvoogel NRC 4 juni 2016
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be