gelebek

Nederlands

 
gelebek
Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·le·bek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gelebek
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gelebek

  1. (vogels) Sporophila schistacea   vinkachtige, grijze zangvogel uit Suriname waarvan het mannetje een brede gele snavel heeft
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen