Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • flex
enkelvoud meervoud
naamwoord flex flexen
verkleinwoord flexje flexjes

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als zelfstandig naamwoord

Zelfstandig naamwoord

flex m

  1. (gereedschap) toestel om harde materialen te gladder te maken of door te zagen met een snel ronddraaiende schijf die haaks op een motor is gemonteerd
Synoniemen
stellend
onverbogen flex
verbogen flexe

Bijvoeglijk naamwoord

flex

  1. heel mooi, heel goed
  2. afkorting van flexibel
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
flexen

flex

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van flexen
    • Ik flex. 
  2. gebiedende wijs van flexen
    • Flex! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van flexen
    • Flex je? 

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
68 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Engels

Uitspraak
vervoeging
onbepaalde wijs to  flex 
he/she/it  flexes 
verleden tijd  flexed 
voltooid
deelwoord
 flexed 
onvoltooid
deelwoord
 flexing 
gebiedende wijs  flex 

Werkwoord

flex

  1. buigen
  2. aanspannen
  3. pronken