exemplaar

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • exem·plaar
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘stuk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1641 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord exemplaar exemplaren
verkleinwoord exemplaartje exemplaartjes

Zelfstandig naamwoord

exemplaar o

  1. een individueel voorbeeld ergens van
    • Ik heb nog maar twee exemplaren van deze zeldzame munt gezien. 
     De gemeente beschrijft de mammoet als "de compleetste gemummificeerde mammoetvondst ooit". Volgens BBC News is het pas de tweede keer dat een bevroren wolharige mammoet is gevonden. Het eerste exemplaar werd in 2007 opgegraven in Siberië. Die vondst was zeker 42.000 jaar oud.[2]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen