eikenbos

Nederlands

 
eikenbos in de winter
Uitspraak
Woordafbreking
  • ei·ken·bos
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord eikenbos eikenbossen
verkleinwoord eikenbosje eikenbosjes

Zelfstandig naamwoord

eikenbos o

  1. een bos waarin vooral eiken staan
    • De Raad van State schorst het ruimtelijk uitvoeringsplan voor de Closing the Circle-recyclinginstallaties ten voordele van een beschermd eikenbos. De schorsing komt er op vraag van de Limburgse Milieukoepel en buurtbewoners van domein Hoeverheide.[1] 
    • De Raad van State heeft een streep gezet door de herplantplicht die de gemeente Tubbergen oplegde aan de eigenaar van een illegaal gekapt eikenbos aan de Noordergraafsingel in Harbrinkhoek. De hoogste bestuursrechter wil dat de gemeente een nieuw besluit neemt, omdat de opgelegde plicht volgens hem te ver gaat.[2] 
    • De gruwelen van mosterdgas en suizende granaten zijn aan het Bergherbos voorbijgegaan. Maar de anderhalve meter diepe sleuf die honderden meters door het eikenbos kronkelt, is wel degelijk een restant uit de Eerste Wereldoorlog.[3] 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. de Standaard 7 december 2017
  2. Tubantia 2 december 2016
  3. Volkskrant Rik Nijland 14 oktober 2013
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be