e-learning

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • e-lear·ning
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Engels
enkelvoud meervoud
naamwoord e-learning
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

e-learning v/m

  1. (onderwijs) onderwijs via het internet
     Teeven wil dat de pc's worden gebruikt voor bijvoorbeeld "e-learning, e-health, en het regelen van activiteiten op het gebied van de re-integratie en nazorg".[1]
     De training bestaat uit een e-learning gedeelte en een klassikale training. Er wordt uitleg gegeven over de huidige wet, er zijn filmpjes om te analyseren en er zijn acteurs om de gesprekken mee te oefenen. Aan de klassikale training in Ede doen vandaag acht mensen mee, artsen en verpleegkundigen.[2]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron “Teeven wil computers in cellen” (21-06-2013), NOS
  2.   Weblink bron “Zo vraag je nabestaanden naar orgaandonatie van hun dierbare” (06-02-2018), NOS