dakvenster

Nederlands

 
dakvenster
Uitspraak
Woordafbreking
  • dak·ven·ster
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dakvenster dakvensters
verkleinwoord dakvenstertje dakvenstertjes

Zelfstandig naamwoord

dakvenster o [1]

  1. (bouwkunde) raam dat in een dak zit
     Ik opende het dakvenster en verwelkomde de kille, ziltige buitenlucht.[2]
     Keuken en zit-groep baden in licht dat via voorraam, dakvenster en dakluik binnenvalt. Let vooral ook op het plafondpaneel dat één geheel vormt met dakvenster en dakluik en dat is voorzien van indirecte sfeerverlichting.[3]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Mariska Overman   “Noorderlicht” (2021), de Crime Compagnie, ISBN 9789461094766
  3.   Weblink bron Niek Schenk “De Camper van het Jaar is een Bürstner en de Caravan van het Jaar komt van Dethleffs” (09-10-2019), Tubantia