condens

Nederlands

 
condens op een ruit
Uitspraak
Woordafbreking
  • con·dens
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord condens -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

condens m [2]

  1. (natuurkunde) water, uit damp gevormd ten gevolge van afkoeling en/of drukverlaging
    • Als er condens in een raam met dubbelglas zit, betekent dat het raam lek is en vervangen moet worden. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen