centrumspits

Nederlands

 
Garcia als centrumspits bij Spanje
Uitspraak
Woordafbreking
  • cen·trum·spits
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord centrumspits centrumspitsen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

centrumspits v/m

  1. (sport), (voetbal) een (voetbal)speler die als aanvaller midden op het veld (dus niet links of rechts) speelt
    • Mede dankzij een fabelachtige techniek groeide Croon in korte tijd uit tot één van de beste aanvallers van de hoofdklasse. Niet zozeer het type afmaker, eerder een voorbereider. „Ik was vroeger altijd aanvallende middenvelder. Die drang naar voren heb ik altijd gehad. Ik ben nu aanvaller, maar denk nog als een middenvelder, dus ik weet als aanvaller wel zo’n beetje waar je moet staan rond de cirkel. Ik kan daar ballen aannemen, acties maken, de cirkel in, combinaties aangaan met middenvelders die opkomen. Dat is mijn spel. Ik ben geen centrumspits die aan de lopende band doelpunten maakt. Daar kun je er ook geen vijf van hebben. Je moet ook iemand hebben die de kansen creëert, die ruimte maakt.”[1] 
    • Maar hij stond er maar mooi steeds. Dat doet hij, want daar heeft hij een zintuig voor, een zeldzaam spelinzicht. Met zijn assist, op centrumspits Mario Gomez, toonde hij zich onbaatzuchtig, nadat hij de defensie van Noord-Ierland in de luren had gelegd en het overzicht bewaarde, oog voor de man in betere schietpositie. Daar bleef het wonderwel bij.[2]  
Synoniemen
Hyperoniemen

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. NRC 22 juli 2016
  2. NRC Bart Hinke 22 juni 2016