bovenhuis

Nederlands

 
koetshuis met bovenhuis.
Uitspraak
Woordafbreking
  • bo·ven·huis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bovenhuis bovenhuizen
verkleinwoord bovenhuisje bovenhuisjes

Zelfstandig naamwoord

bovenhuis o

  1. een woning hoger gelegen dan de begane grond
    • Het bovenhuis was onbewoond. 
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be