• be·werk·stel·li·gen
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘uitvoeren’ voor het eerst aangetroffen in 1769 [1]
  • Samenstellende afleiding van werk en stellig met het voorvoegsel be- en met het achtervoegsel -en [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bewerkstelligen
bewerkstelligde
bewerkstelligd
zwak -d volledig

bewerkstelligen

  1. overgankelijk zorgen dat iets tot stand komt
    • Hopelijk bewerkstelligt Obama met zijn toespraak voor het Congres vandaag een verbetering in het economisch beleid. 
98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]