beide

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bei·de
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘telwoord’ voor het eerst aangetroffen in 1100 [1]
  • [2]

Hoofdtelwoord

beide

  1. elk van twee
    • Wat een schattige foto van beide honden. Ze kijken beiden naar hetzelfde. 
     Ik duwde de deur met beide handen open en zag dat er ’s nachts een dik pak sneeuw was gevallen, waarvan een stukje geel kleurde toen ik er mijn waterfles in leegde.[3]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen


Duits

Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Middelhoogduitse beide

Voornaamwoord

beide

  1. beide
Afgeleide begrippen


Middelhoogduits

Woordherkomst en -opbouw

Hoofdtelwoord

beide

  1. beide
Schrijfwijzen
Verwante begrippen


Middelnederlands

Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Oudnederlandse beithe

Hoofdtelwoord

beide

  1. beide
Schrijfwijzen

Verwijzingen


Oudhoogduits

Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Proto-Germaanse *bai-

Bijvoeglijk naamwoord

beide

  1. beide
Schrijfwijzen