artificieel

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·ti·fi·ci·eel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kunstmatig’ voor het eerst aangetroffen in 1566 [1]
  • afgeleid van Franse artificiel (met het achtervoegsel -eel) [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen artificieel artificiëler artificieelst
verbogen artificiële artificiëlere artificieelste
partitief artificieels artificiëlers -

Bijvoeglijk naamwoord

artificieel

  1. kunstmatig (ook (medisch))
     Boven de rand van de artificiële Nijl doken de hoofden van Max en Dennis gelijktijdig op.[3]
Vertalingen

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen