afwateren

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·wa·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afwateren
waterde af
afgewaterd
zwak -d volledig

Werkwoord

afwateren

  1. overtollig water afvoeren
    • Het dak waterde via een regenpijp af naar de regenput. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be