aftreksel

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·trek·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aftreksel aftreksels
verkleinwoord aftrekseltje aftrekseltjes

Zelfstandig naamwoord

aftreksel o

  1. een vloeistof waarin men de oplosbare delen van iets heeft laten oplossen
  2. (figuurlijk) een zwakke vorm van iets
     Chantal probeerde een glimlach te produceren. Het werd een flauw aftreksel, aangezien andere emoties nog vrij spel hadden.[1]
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer  All-inclusive”   (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be