afscheiding

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·schei·ding
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afscheiding afscheidingen
verkleinwoord afscheidinkje afscheidinkjes

Zelfstandig naamwoord

afscheiding v

  1. wat afgescheiden wordt, wat uiteen gaat
    • De afscheiding van melk bij de moeder hield op toen het jong gespeend werd. 
  2. datgene wat zaken scheidt
    • Ze brachten een afscheiding aan tussen de twee delen van de weide door middel van een hek. 
  3. het uiteengaan van twee organisaties of staten
    • De spanningen in het koninkrijk van Willem I leidden tot de afscheiding van België. 
    • Na de afscheiding van België raakte het koninkrijk in geldproblemen en moest Reuvens zijn opgraving in Voorburg zelf bekostigen.[1] 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. NRC Theo Toebosch 11 mei 2018 Rijksmuseum van Oudheden: 200 jaar graven naar schatten in de grond
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be