afpassen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·pas·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afpassen
/'ɑfpɑsə(n)/
paste af
/pɑstə 'ʔɑf/
afgepast
/'ɑfxəpɑst/
zwak -t volledig

Werkwoord

afpassen

  1. overgankelijk nauwkeurig afmeten
    • Voor dit experiment moet de hoeveelheid water goed afgepast worden. 
Vertalingen

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be