aankleding

Nederlands

 
KOI-aankleding in de Ravensteingalerij, Brussel
Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·kle·ding
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aankleding aankledingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

aankleding v [1]

  1. dat wat de vorm, de sfeer en het uiterlijk van iets bepaald
    • Hoe groot het aandeel van pa in dat project ook zijn mag, het mag bij binnenkomst direct duidelijk zijn dat het de jonge Rose is die zich met de aankleding en sfeer van de zaak heeft mogen belasten. De vrouwenhand in het geheel is onmiskenbaar, al moet ik mij door mijn damesgezelschap laten uitleggen hoe je zo’n interieur beschrijft. Het is ‘Rivièra Maison’, zo wordt geduldig voor me opgelepeld, ofwel een stijl met een ‘sterke landelijke beleving’ met meubilair en accessoires in ‘nieuwe brocante’. [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen