inrichting

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·rich·ting
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord inrichting inrichtingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

inrichting v

  1. instituut voor ontspoorden
    • De ontspoorde jongere belandde in een penitentiaire inrichting. 
  2. de wijze waarop iets ingericht is, hoe dingen zijn neergezet in een ruimte, hoe ruimtes zijn verdeeld
    • We hebben veel aandacht besteed aan de inrichting van de winkel. 
     Wanneer hij 's ochtends wakker werd onder zijn Noorse donzen dekbed, het enige wat hij had bijgedragen aan de inrichting, de Zweden gaven er nog steeds de voorkeur aan om onder gewone dekens kou te lijden, lag er een dunne ijslaag op het waswater in de kan bij zijn wastafelkast, soms was zelfs de pis in de van een blauw patroon voorziene pot onder het bed bevroren.[1]
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044628142
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

inrichting

  1. inrichting


Veluws

Zelfstandig naamwoord

inrichting

  1. inrichting