-cundus

  1. vormt bijvoeglijke naamwoorden als tegenwoordig deelwoord (participium praesentis) van werkwoorden, bezig met, -d.
    «fāri → fācundus»
    spreken → eloquent, welsprekend
    «īrasci → īrācundus»
    boos zijn, boos worden → boos, prikkelbaar, driftig, opvliegend
    «vĕrēri → vĕrēcundus»
    bang zijn, vrezen → schuw, verlegen, beschaamd
    «iocāri of iŭvāre → iūcundus»
    schimpen, pret maken → verrukkelijk, aangenaam