volbrengen

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
volbrengen volbrengend
volbrenging volbracht
Uitspraak
Woordafbreking
  • vol·bren·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
volbrengen
volbracht
volbracht
zwak -cht volledig

Werkwoord

volbrengen

  1. overgankelijk geheel uitvoeren
    • Hij volbracht daarmee een waar meesterwerk. 
Synoniemen
  • tot stand brengen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be